‘Opa, vertelt u nog eens het verhaal over uw zoektocht naar Oma?’
Het verhaal begint in de nazomer op de dag dat ik mijn huis kwijt raakte. Die zomer had ik net de pubertijd overwonnen en was me aan het voorbereiden om zelf de richting te kiezen welke ik wilde gaan. Ik had alles gepakt wat ik wilde en netjes in mijn huis opgeborgen. Omdat ik nog niet zo groot was had ik genoeg ruimte om ook wat lekkernijen mee te nemen. Op de dag dat ik vertrok liet ik mijn ouders achter. Ze hadden me duidelijk gemaakt dat ik voorzichtig moest zijn en dat was ook hetgeen dat ik van plan was te gaan doen. Mijn reis zou me uit de stad loodsen door het bos naar de rivier zodat ik daar een nieuw leven kon beginnen.
Maar aan de rand van het bos begon de reis zich tegen mij te keren. Terwijl ik een stukje grasland over wilde steken kwam er van uit de helder blauwe hemel, met sneltreinvaart, een zanglijster op mij af. Ondanks dat het een zanglijster was had ik haar niet aan horen komen. Achteraf gelukkig had ik niet eens de tijd om mijn huis, welke ik toen net als jij op mijn rug droeg, in te vluchten. Met één grote hap was ik mijn huisje kwijt. Al mijn spulletjes en eten welke ik in huis opgeslagen had waren verdwenen. Opgepeuzeld door een vogel. Nooit had ik mij zo eenzaam gevoeld als op dat moment.
Twee dagen had ik door het bos gezworven op zoek naar eten en leven. Niemand was ik tegen gekomen die mij kon troosten met het verlies van mijn huis en niemand kon mij wegwijs maken in het bos. Eten vond ik uiteindelijk wel maar ik had geen plaats meer om het op te slaan. Spulletjes bewaren was er dus niet meer bij. ’s Avond klom ik altijd omhoog in een boom om ’s nachts niet opgepeuzeld te worden door een veldmuis of wezel. Omdat we toch weekdieren zijn dacht ik dat mijn leven op de voor avond van het weekend wel ten einde zou zijn. Maar niets was minder waar.
Ik vergeet nooit meer de nacht waarop ik een beukenhaag had gezocht om in te gaan slapen. Terwijl ik probeerde in te dommelen hoorde ik een ligt gekreun onder mij. Een geluid dat leek of het uit je buik kwam. In het begin dacht ik dat het gewoon kwam omdat ik honger had, totdat ik op een gegeven moment besefte dat ik net een slablad naar binnen had gewerkt. Misschien kwam het geluid wel helemaal niet uit mijn eigen lichaam, maar waar kwam het dan wel vandaan? ‘Ga alstublieft van mij af’ hoorde ik iemand zeggen. Rustig keek ik om mij heen of iemand het misschien tegen mij had. Maar in de verste verte kon ik niemand ontdekken. Nogmaals hoorde ik iemand dezelfde woorden spreken; ‘ga alstublieft van mij af’. Op dat moment kwam ik toch maar in beweging. Ook al was ik zelf niet zo groot het kon natuurlijk altijd zo zijn dat ik toch per ongeluk bovenop een kleiner wezen als ikzelf terecht was gekomen. Plotseling begon er een tak naast mij te bewegen. En niet bewegen zoals een tak normaal beweegt maar deze tak strekte zich volledig uit. ‘Ik ben Pinda’ hoorde ik de tak zeggen. Het enige dat ik uit kon brengen was ‘hallo pinda’. In mijn hele leven had ik nog nooit een tak horen praten. Ik had wel eens iemand horen praten over een wandelende tak (ook al was ik er nog nooit één tegen gekomen) maar een pratende tak was natuurlijk wel iets anders. En dan ook nog een tak die zich Pinda noemde. Op mijn beurt stelde ik mij voor als Elisa, vernoemd naar een oom, Elysia crispata, welke ik nooit had gezien of ontmoet en dat ook nooit zal gebeuren omdat ik nou eenmaal niet kan zwemmen.
Aan het eind van de avond was ik erachter dat Pinda een rups was. En hij zou een vlinder worden als hij later groot was. Zijn naam Pinda hadden zijn ouders voor hem bedacht. Een Pinda was een boon en een boon hoorde tot de vlinderbloemenfamilie. Dus zijn ouders vonden dat een leuke naam.
Hij vertelde me die avond over zijn dromen, waarin hij zichzelf zag als een hele mooie vlinder met schitterende kleuren en ogen. En hoe hij door het hoge gras fladderde, zwevend op de wind. Hij zou het bloemenrijk verblijden met zijn aanwezigheid. Het nectar verspreiden over het veld. Pinda was de rups van een hagendoornvlinder. Pinda had nog nooit een hagendoornvlinder gezien in zijn leven en wist dus helemaal niet dat de vlinder helemaal niet de mooie kleuren had waarover hij droomde. Maar hierover later meer.
Het was moeilijk om zonder huis door het leven te gaan. Ik miste het thuis dat ik altijd dicht bij me had gehad. Pinda en ik waren inmiddels goede vrienden geworden maar ik wist ook dat een rups ooit eens ging ontpoppen en daarna de wijde wereld in zou gaan. Mijn leven was voor mij op een raar punt terecht gekomen. Eten moest ik zoeken wanneer ik daar trek in had want opslaan kon ik het niet meer. Regen was een andere ergernis waaraan ik niet kon wennen. Schuilplaatsen moesten opeens gezocht worden.
Pinda had naast vlinder worden nog een andere obsessie waarover hij nooit uitgepraat raakte namelijk: vrouwen. Nooit raakte hij uitgepraat over het teder omhelzen van een vrouw het zoenen en het aanraken. De gesprekken welke je met een vrouw kunt hebben en het geluk dat je voelt in haar aanwezigheid. Ik als tweeslachtig wezen had er moeite mee om te begrijpen wat hij er allemaal mee bedoelde. Ik had immers geen vrouw nodig om mij voor te planten en was dat niet de enige reden waarom wij op deze wereld terecht waren gekomen?
Pinda had veel vrienden in het bos, echter aan geen van deze wilde hij mij voorstellen. Hij zei; je bent een slak die zijn huis kwijt is geraakt, ik ben bang dat iedereen je uit zal lachen en dat ze je zullen kwetsen. Hier was ik het natuurlijk niet mee eens en probeerde hem duidelijk te maken dat ik goed voor mijzelf kon zorgen. Gelukkig is een slak goed in slijmen, zoals u vast wel eens opgemerkt heeft. Pinda was daardoor binnen de kortste keren over gehaald en stelde mij voor aan vele van zijn vrienden.
De andere passie van Pinda begon ik inmiddels ook te delen. Ik begon er steeds meer achter te komen dat vrouwen bedoelt waren om bij een man te horen. Overal om mij heen zag ik stelletjes rond vliegen, zwemmen en zingen. Ergens in mijn onderbuik begon het steeds meer te kriebelen en rustig aan ging ik ook maar op zoek naar een vrouw. Na een aantal weken werd ik geen Elisa meer genoemd maar noemde iedereen mij Tom (naar Tom Sawyer, de jongen welke ook geen eigen huis had maar altijd bij iemand anders woonde en zelfs zijn eigen dood in scene zette voor een leuk meisje).
Pinda en ik namen op een moeilijke maar leuke avond afscheid. Ik had voor hem een feestje georganiseerd en al zijn vrienden waren er voor hem. Dit was zijn laatste dag als rups en daarna zou hij als vlinder verder door het leven gaan. De kans was groot dat ik hem na vandaag nooit weer zou zien omdat een vlinder als zijn vleugels eenmaal droog zijn graag de wijde wereld in trekt.
Na het feest miste ik Pinda steeds meer en meer. Zijn vrienden waren ook wel een beetje mijn vrienden maar toch ging ik niet zo met hen om. Ik voelde me steeds ongelukkiger worden in het bos omdat ik ook nog steeds alleen was. Op een dag trok ik de spreekwoordelijke stoute schoenen aan en ging er vandoor. Mijn oorspronkelijke doel was om naar de rivier te gaan en daar was ik immers nooit aangekomen.
Onderweg kwijnde ik steeds meer weg in mijn zelfmedelijden. Ik voelde me vreemd en eenzaam. Verwaarloosd door de wereld achtergelaten als dood voer voor iedereen die maar slak lustte. Na een aantal weken had ik er helemaal genoeg van. De rivier had ik nog steeds niet bereikt en ik voelde dat mijn einde naderde. Op een dag besloot ik om net als de mens mij te ruste te leggen in een daar speciaal voor ontworpen tombe. Na twee dag reizen kwam ik eindelijk aan bij de begraafplaats en haastte mij naar het stenen mausoleum. Ik had besloten om mij te vervoegen bij mijn familie de regenworm (net als ik horende bij de ongewervelde (en ook tweeslachtig)).
Nadat ik mij rustig op de grond ten ruste had gelegd stroomden de tranen over mijn wangen. Terug denkend over mijn leven en wat ik daarmee had bereikt. Hoe ik mijn huis en vrienden was kwijtgeraakt. Hoe ik nooit liefde had gevonden. Hoe ik mij in eenzaamheid teruggetrokken had. Na een dag waren de tranen op en had ik niets meer over. Mijn omgeving was donker en leek mij ook in de steek te laten.
Op een nacht ontwaakte ik door een geluid. Het geluid van een orkest dat met een bijzonder akoestiek mijn oren binnen trede. Het geluid zwol aan toteen bombastisch geheel. Ik knipperde een aantal keer met mijn ogen en kon in de verte een lichtje zien schijnen. ‘wie is daar?’ probeerde ik voorzichtig te vragen. Plotseling viel het orkest stil en werd het lichtje omgegeven door honderden andere kleine lichtjes. Ik kon mijn ogen niet geloven wat ik daar toen zag. Tientallen vuurvliegjes schenen hun licht op honderden nachtvlinders.
‘Ben jij dat Tom?’ hoorde ik ineens een nachtvlinder vragen? ‘Ja’ was het enige geluid dat ik kon produceren. ‘Ik ben het Pinda’ zei de vlinder tegen mij. ‘Maar ze noemen mij tegenwoordig Trom Bone, omdat dat het geluid is dat ik kan produceren’ (en omdat pinda’s familie zijn van de boon).
Het bleek dat Pinda helemaal niet zo’n kleurige en statige vlinder was geworden als waar hij altijd over had gedroomd en verteld. Hij was een nachtvlinder geworden en had zich diep geschaamd op de dag dat hij ontpopt was. Hij had zich niet eens aan mij durven te vertonen. Hij had net als ik besloten om een einde aan zijn leven te maken bij deze teleurstelling en was naar de begraafplaats gegaan om zich ten ruste te leggen. Daar was hij zijn mede lotgenoten tegen gekomen. Van hen had hij ook geleerd dat nachtvlinders niet mooi zijn van uiterlijk maar des te mooier met hun stem. Als je genoeg nachtvlinders bij elkaar zet konden de mooiste orkesten nagespeeld worden.
Trom en ik werden vanaf dat moment weer grote vrienden. We hadden al snel de tombe verlaten om toch meer van de grote wijde wereld te zien. Tom en Trom zwerven door de natuur op zoek naar hun geluk, naar hun huis. (Jaren later is er zelf een navigatie systeem naar ons vernoemd) De rivier waarvaan ik altijd al droomde leek een waar paradijs. Na niet al te lange tijd kwam ik dan ook de vrouw van mijn leven, Arion, tegen. Ze was een spaanse naaktslak en vond het daarom helemaal niet vreemd dat ik geen huis meer had. Eindelijk had ik het geluk gevonden en zou dat geluk zich uitbreiden met kinderen en vele kleinkinderen.