Naar inhoud springen

Syllabus Errorum

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

Syllabus Errorum (Latijn voor 'lijst van dwalingen'; volledige titel: Syllabus complectens praecipuos nostrae aetatis errores) is een onder paus Pius IX op 8 december 1864 gepubliceerde lijst van tachtig stellingen die door de Rooms-Katholieke Kerk als dwalingen werden verworpen. Het document verscheen op dezelfde datum als de encycliek Quanta cura. De afzonderlijke stellingen verwijzen naar eerdere consistoriale allocuties, encyclieken en andere apostolische geschriften van Pius IX.[1]

De Syllabus behandelt onder meer rationalisme, naturalisme, religieus indifferentisme, de rechten en positie van de Kerk, de verhouding tussen kerk en staat, onderwijs, moraal, het christelijk huwelijk, de wereldlijke macht van de paus en verschillende opvattingen die in het document onder het negentiende-eeuwse liberalisme worden gerangschikt.[1] In de geschiedschrijving geldt de tekst als een belangrijk document in het conflict van het negentiende-eeuwse pausdom met liberale en seculariserende politieke en intellectuele ontwikkelingen.[2]

De publicatie wekte vooral in Frankrijk en in België beroering. De bisschop van Orléans, Dupanloup, beproefde door interpretatie een matiging ervan,[3] maar de constitutie Dei Filius[4] van het Eerste Vaticaans Concilie (1870) bevestigde de syllabus grotendeels.

Historische context

[bewerken | brontekst bewerken]

Het pontificaat van Pius IX (1846–1878) viel samen met ingrijpende politieke veranderingen in Europa. De revoluties van 1848, het Risorgimento en de vorming van de Italiaanse nationale staat brachten de wereldlijke positie van de paus en de Kerkelijke Staat steeds verder onder druk. Pius IX moest in 1848 tijdelijk uit Rome vluchten. Volgens kerkhistoricus John W. O'Malley droeg deze ervaring bij aan een verharding van zijn houding tegenover wat hij als bedreigende aspecten van de moderne politieke orde beschouwde en aan de versterking van het ultramontanisme, waarin een sterk pauselijk gezag centraal stond.[5]

Ook Owen Chadwick plaatst de Syllabus tegen de achtergrond van de strijd om de Kerkelijke Staat, het toenemende politieke liberalisme en de centralisering van het katholieke gezag rond Rome.[2] Het document moet daardoor niet uitsluitend als een abstracte opsomming van filosofische stellingen worden gelezen, maar eveneens binnen de concrete conflicten over de rechtspositie van de Kerk, kerkelijk bezit, onderwijs, benoeming van bisschoppen en de verhouding tussen geestelijke en wereldlijke autoriteit.

Totstandkoming en publicatie

[bewerken | brontekst bewerken]

De Syllabus was het resultaat van een langdurig redactioneel proces. Historicus Luca Sandoni behandelt in zijn kritische editie verschillende ontwerpen en de ontwikkeling die uiteindelijk tot de tekst van 1864 leidde.[6] De uiteindelijke lijst was voor een belangrijk deel samengesteld uit formuleringen die reeds voorkwamen in eerdere uitspraken van Pius IX.

De titel van het document geeft dit zelf aan: de veroordeelde dwalingen worden aangeduid als opvattingen die voorkomen in de consistoriale allocuties, encyclieken en andere apostolische brieven van Pius IX.[1] Achter vrijwel iedere genummerde stelling staat daarom een verwijzing naar een of meer eerdere pauselijke documenten. De Syllabus is in die zin eerder een geordende catalogus van eerder veroordeelde opvattingen dan een zelfstandig uitgewerkte filosofische of theologische verhandeling.

De encycliek Quanta cura, waarmee de Syllabus op 8 december 1864 werd verspreid, was gericht tot de patriarchen, primaten, aartsbisschoppen en bisschoppen die in gemeenschap met de Heilige Stoel stonden. In de encycliek plaatste Pius IX zijn veroordelingen binnen zijn pastorale verantwoordelijkheid voor geloof, kerkelijke leer en wat hij als de juiste ordening van kerk en samenleving beschouwde.[1]

Inhoud en opbouw

[bewerken | brontekst bewerken]

De tachtig stellingen zijn gegroepeerd onder tien thematische rubrieken. Omdat de formuleringen in de Syllabus de opvattingen weergeven die worden verworpen, mogen deze stellingen niet worden gelezen alsof zij zelf de positieve leer van de Kerk formuleren.[1]

De rubrieken zijn:

  1. Pantheïsme, naturalisme en absoluut rationalisme – stellingen over God, openbaring en de aanspraken van de menselijke rede.
  1. Gematigd rationalisme – stellingen over de verhouding tussen filosofie, theologie, openbaring en kerkelijk gezag.
  1. Indifferentisme en latitudinarisme – opvattingen over de gelijkwaardigheid van religies en de verhouding tussen religieuze overtuiging en heil.
  1. Socialisme, communisme, geheime genootschappen, Bijbelgenootschappen en clerico-liberale verenigingen – deze rubriek vormt een uitzondering binnen de structuur: zij bevat geen afzonderlijk genummerde stellingen, maar verwijst naar eerdere documenten waarin deze bewegingen waren veroordeeld.[1]
  1. Dwalingen betreffende de Kerk en haar rechten – onder meer kerkelijk gezag, jurisdictie, eigendom en de verhouding van de Kerk tot de burgerlijke overheid.
  1. Dwalingen betreffende de burgerlijke samenleving en haar verhouding tot de Kerk – waaronder onderwijs, staatsgezag, concordaten en de verhouding tussen kerkelijke en burgerlijke rechtsmacht.
  1. Dwalingen betreffende de natuurlijke en christelijke ethiek – over natuurrecht, goddelijke grondslag van de moraal, gezag en politieke gehoorzaamheid.
  1. Dwalingen betreffende het christelijk huwelijk – over het sacramentele karakter van het huwelijk en de verhouding tussen kerkelijke en burgerlijke huwelijkswetgeving.
  1. Dwalingen betreffende de wereldlijke macht van de paus – over het burgerlijke gezag van de paus.
  1. Dwalingen betreffende het toenmalige liberalisme – vier slotstellingen over de positie van het katholicisme in de staat, openbare uitoefening van andere godsdiensten, vrijheid van openbare meningsuiting en de verhouding van het pausdom tot vooruitgang, liberalisme en de eigentijdse beschaving.[1]

Rede, openbaring en waarheid

[bewerken | brontekst bewerken]

De eerste twee rubrieken richten zich tegen vormen van rationalisme die de menselijke rede als volledig autonoom en toereikend voorstellen ten opzichte van God en openbaring. Zo wordt in stelling 3 de opvatting verworpen dat de menselijke rede, zonder betrekking op God, de enige maatstaf voor waar en onwaar en goed en kwaad zou zijn. Stelling 4 verwerpt de opvatting dat alle religieuze waarheden uitsluitend uit de natuurlijke menselijke rede voortkomen.[1]

Daarmee neemt de Syllabus epistemologisch afstand van een begrip van menselijke rationaliteit waarin bovennatuurlijke openbaring principieel overbodig is. Tegelijk vormt de tekst geen systematische theorie over de verhouding tussen geloof en rede: de stellingen functioneren voornamelijk als afgrenzingen tegenover specifieke opvattingen die Pius IX eerder had veroordeeld.

Ook bevat de Syllabus zelf nauwelijks doorlopende bijbelexegese. De begeleidende Quanta cura gebruikt daarentegen wel Bijbelse en patristische verwijzingen en verbindt de bestrijding van dwalingen met de pastorale zorg voor geloof en heil.[1] Het onderscheid tussen beide teksten is daarom van belang bij een theologische interpretatie.

Kerk, staat en onderwijs

[bewerken | brontekst bewerken]

Een groot deel van de Syllabus heeft betrekking op de institutionele positie van de Kerk. De stellingen 19–38 behandelen de eigen rechten en jurisdictie van de Kerk, terwijl de stellingen 39–55 de burgerlijke samenleving en haar verhouding tot de Kerk betreffen.[1]

In stelling 55 wordt de uitspraak dat Kerk en staat van elkaar moeten worden gescheiden verworpen. De stellingen 45–48 keren zich tegen modellen waarin het openbare onderwijs volledig aan het burgerlijk gezag wordt toegewezen en aan kerkelijke invloed wordt onttrokken. Andere stellingen verwerpen de gedachte dat de burgerlijke overheid naar eigen inzicht kerkelijke bevoegdheden, benoemingen of juridische rechten kan bepalen.[1]

Deze bepalingen hingen nauw samen met negentiende-eeuwse conflicten over de institutionele autonomie van de Kerk en de opkomst van de moderne nationale staat. Chadwick interpreteert de Syllabus mede binnen deze bredere confrontatie tussen het pausdom en de liberale politieke orde.[2]

Moraal, gezag en huwelijk

[bewerken | brontekst bewerken]

De stellingen 56–64 vormen de rubriek over natuurlijke en christelijke ethiek. Daarin worden onder andere de opvattingen verworpen dat morele wetten geen goddelijke grondslag nodig hebben, dat burgerlijke en morele normen principieel los van goddelijk of kerkelijk gezag behoren te staan en dat recht uitsluitend op materiële macht of voldongen feiten kan worden gebaseerd.[1]

De stellingen 65–74 betreffen het christelijk huwelijk. Zij verdedigen in negatieve formulering het sacramentele karakter van het huwelijk tussen christenen en de kerkelijke bevoegdheid op het terrein van huwelijksrecht. De Syllabus verwerpt daar onder meer de opvatting dat het huwelijk tussen christenen uitsluitend een burgerlijk contract zou zijn.[1]

Religieuze vrijheid en liberalisme

[bewerken | brontekst bewerken]

De meest omstreden onderdelen van de Syllabus betroffen de verhouding tussen katholicisme, burgerlijke vrijheden en de liberale staat. De laatste vier stellingen, 77–80, vallen onder de rubriek over het toenmalige liberalisme. Daarbij wordt onder meer de stelling verworpen dat het niet langer passend zou zijn dat het katholicisme in een katholieke staat een bevoorrechte positie inneemt. Ook worden opvattingen over de openbare uitoefening van andere godsdiensten en een vergaande vrijheid om opvattingen publiek te verkondigen afgewezen.[1]

Historicus Peter Doyle laat zien dat juist deze kwesties onmiddellijk veel kritiek opriepen. In de liberale en protestantse receptie werd de Syllabus vaak beschouwd als een aanval op godsdienstvrijheid en gewetensvrijheid. Doyle wijst er daarbij op dat de controverse zich in belangrijke mate concentreerde op de passages over kerkelijke bevoegdheid en op de stellingen 77–79.[7]

De slotstelling, nummer 80, verwerpt de formulering dat de paus zich met "vooruitgang, liberalisme en de moderne beschaving" zou moeten verzoenen.[1] De stelling werd een van de bekendste passages van het document. Omdat iedere stelling echter naar een eerdere specifieke uitspraak verwijst, is in zowel historische als theologische interpretaties veel aandacht besteed aan de vraag in hoeverre de afzonderlijke formuleringen binnen de oorspronkelijke context van die documenten moeten worden begrepen.

De publicatie leidde zowel buiten als binnen de katholieke wereld tot discussie. Voor liberale critici werd de Syllabus een symbool van pauselijk verzet tegen de politieke moderniteit.[7] Binnen het katholicisme bestond eveneens verschil over de wijze waarop de tekst moest worden geïnterpreteerd.

Een belangrijke interventie kwam van de Franse bisschop Félix Dupanloup, die in 1865 een contextuele interpretatie van Quanta cura en de Syllabus publiceerde. Marvin R. O'Connell beschrijft Dupanloups optreden als een belangrijk moment in het debat tussen meer uitgesproken ultramontanen en katholieken die ruimte zochten voor een verzoening met delen van de liberale politieke orde.[8]

De controverse droeg bij aan het bredere negentiende-eeuwse debat over de omvang van het pauselijk gezag. Chadwick behandelt de Syllabus als een van de manifestaties van de toenemende centralisering van het katholieke gezag rond Rome.[2] O'Malley plaatst dezelfde ontwikkeling in het bredere proces dat uitmondde in het Eerste Vaticaans Concilie (1869–1870), waar de leer over pauselijke primatuur en onfeilbaarheid verder werd bepaald.[9] Dit betekent niet dat Vaticanum I de afzonderlijke tachtig stellingen van de Syllabus als zodanig opnieuw bekrachtigde.

Latere ontwikkeling

[bewerken | brontekst bewerken]

De verhouding van de Katholieke Kerk tot godsdienstvrijheid ontwikkelde zich in de twintigste eeuw verder. Een belangrijk ijkpunt was de verklaring Dignitatis humanae van het Tweede Vaticaans Concilie, afgekondigd in 1965. Daarin werd godsdienstvrijheid geformuleerd als het recht van personen en gemeenschappen om op religieus gebied vrij te zijn van dwang.

Rechtswetenschapper Anna Su beschrijft Dignitatis humanae als een keerpunt in de ontwikkeling van het katholieke denken over godsdienstvrijheid. In haar historische analyse contrasteert zij deze benadering met de negentiende-eeuwse positie die onder Pius IX in Quanta cura en de Syllabus tot uitdrukking kwam.[10] De vergelijking tussen beide documenten speelt daardoor een belangrijke rol in wetenschappelijke discussies over continuïteit en ontwikkeling binnen het katholieke denken over Kerk, staat en religieuze vrijheid.

Zie de categorie Syllabus Errorum van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.