Naar inhoud springen

beet

Uit WikiWoordenboek
  • beet
[A], [B] enkelvoud meervoud
naamwoord beet beten
verkleinwoord beetje beetjes

[A] de beet m

  1. samenklemming tussen de kaken
    • De beet van een dolle hond is een ernstige zaak. 
    ▸ 'We waren gewaarschuwd dat we daar niet bij in de buurt moesten komen, omdat hun beet giftig is, maar deze was machtig mooi.[8]
  2. dat wat je met één keer bijten kunt eten, hap
    • Ik neem een beet van de koek. 
  3. steek door de monddelen van een kaakloos wezen, zoals een insect
    • De huilende baby zat onder de beten, want er was een mug in de kamer. 

[A] beet

  1. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord: te pakken, vast
vervoeging van
bijten

[A] beet

  1. enkelvoud verleden tijd van bijten
    • Ik beet. 
    • Jij beet. 
    • Hij, zij, het beet. 
    ▸ Olive begon aan de arm te trekken; ze deed haar mond open en beet hard in de vingers die haar de adem benamen.[9]
    ▸ Ze was er nog, ze leefde nog, ze beet nog van zich af.[9]
    ▸ ‘Wij willen naar Alaska,’ zei hij op heldere toon. ‘Op zalm vissen,’ vulde Dennis aan. ‘Wilde zalm.’ Chantal beet op haar lip om niet in lachen uit te barsten.[10]
    ▸ Ze was er nog, ze leefde nog, ze beet nog van zich af.[9]

[B] de beet v / m

  1. (plantkunde) (verouderd) benaming voor planten uit het geslacht Beta op Wikispecies
  • biet (meer gangbare uitspraakvariant)
[C] enkelvoud meervoud
naamwoord beet beets
verkleinwoord

[C] de beet v

  1. (Jiddisch-Hebreeuws) tweede letter van het Hebreeuwse alfabet
  2. (Jiddisch-Hebreeuws) getal twee
cursief: alleen Jiddisj; vet: zowel Hebreeuws als Jiddisj
nr.  sluit-
letter
letter  naam in
Hebreeuws 
naam in
Nederlands 
wordt in
Nederlands 
als
cijfer 
1  א  אָלֶף  alef  •  ollef  ' • a1
2  ב  בֵּית  beet  ,  bet  •  beis  b • v2
3  ג  גִּימֵל  gimel  g3
4  ד  דָּלֶת  dalet  d4
5  ה  הֵא  hee  h5
6  ו  וָו  wav  •  wov  v, w • oe6
7  ז  זַיִן  zajin  •  zajen  z7
8  ח  חֵית  chet  •  ches  ch8
9  ט  טֵית  tet  •  tes  t9
10  י  יוֹד  jod  •  joed  j • i,ie10
11 ך  כ  כַּף  kaf  ,  chaf  •  chof  ch • k20
12  ל  לָמֶד  lamed  l30
13 ם  מ  מֵם  mem  m40
14 ן  נ  נוּן  noen  n50
15  ס  סָמֶךְ‎  samech  s60
16  ע  עַיִן  ajin  •  ajen  ' • e70
17 ף  פ  פֵּא  pee  p • f80
18 ץ  צ  צַדִי  tsadi  ,  tsadee  •  tsaddi  ,  tsaddek  ts90
19  ק  קוֹף  koef  ,  kof  k100
20  ר  רֵישׁ  reesj  r200
21  ש  שִׁין  sjien  sj • s300
22  ת  תָּו‎  tav  •  tof  t • s400
[D] enkelvoud meervoud
naamwoord beet batee
verkleinwoord

[D] de beet m

  1. (Jiddisch-Hebreeuws) huis (als deel van woordcombinaties)
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[11]