Naar inhoud springen

instituut

Uit WikiWoordenboek
  • in·sti·tuut
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘instelling’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1800 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord instituut instituten
verkleinwoord instituutje instituutjes

hetinstituuto

  1. (maatschappij) instelling [1] voor onderzoek, onderwijs, verpleging e.d
    • Een academisch instituut. 
     Bij Ammow, het Nederlands instituut voor radioastronomie, maakt Gemma Janssen er al tien jaar lang jacht op, waarbij ze de kosmos zélf als detector gebruikt.[2]
     Het KNGMG hoopt dat er nog gesprekken volgen met de vele instituten en bedrijven in binnen- en buitenland die gebruikmaken van de kennis en faciliteiten van de VU. "We begrijpen dat de kosten hoog zijn voor de VU, en dat er financiële problemen zijn, maar dit is rücksichtslos. Dit moet je niet zelfstandig als instituut doen. Verschillende organisaties willen het gesprek aangaan. Verken nu eerst goed samen wat de mogelijkheden zijn voordat je iets afbreekt dat je niet snel weer opbouwt."[3]
  • De nadruk ligt (meer dan bij bijv. "instelling") bij "instituut" op het doel en/of de achterliggende gedachte
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[4]