Naar inhoud springen

iris

Uit WikiWoordenboek
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: Iris
  • iris
enkelvoud meervoud
naamwoord iris irissen
verkleinwoord irisje irisjes

de iris v / m

  1. (anatomie) orgaan in het oog van vele organismen, waaronder de mens, dat als een diafragma werkt en de hoeveelheid tot het oog toegelaten licht regelt
    ▸ Haar ogen zijn hol van vermoeidheid, maar er brandt nog vuur in haar irissen.[3]
    ▸ Ik had graag nog een paar keer zijn blauwe irissen willen zien.[4]
  2. (bloemplanten) benaming voor planten uit het geslacht Iris op Wikispecies met een opvallende, vaak blauwe of gele bloem
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[5]

iris

  1. (anatomie) regenboogvlies
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  iris     l'iris     iris     les iris  

iris m

  1. (anatomie) iris [1], regenboogvlies
  2. (bloemplanten) Iris op Wikispecies iris [2]
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
ojo
enkelvoud meervoud
iris irises

iris m

  1. (anatomie) regenboogvlies