Naar inhoud springen

krukje

Uit WikiWoordenboek
  • kruk·je

het krukje o

  1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord kruk
    ▸ ' Ik ging op het krukje bij de toilettafel zitten en begon mijn haarspelden los te trekken.[1]
    ▸ Jacob gaat op het krukje zitten en beweegt zijn vingers over de toetsen.[2]
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[3]
  1. ↑ “Echo's aan het meer” (2026), Kokboekencentrum, ISBN 9789029740210
  2. ↑
    Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx
    “Het huis aan de Herengracht” (2022), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024586332
  3. ↑ Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be