Naar inhoud springen

maten

Uit WikiWoordenboek
  • ma·ten
vervoeging van
meten

maten

  1. meervoud verleden tijd van meten
    • Wij maten. 
    • Jullie maten. 
    • Zij maten. 

de maten mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord maat
    ▸ Mijn maten deden mee.[1]
    ▸ Maar sterrenstelsels zijn er in allerlei soorten, maten en lichtsterktes.[2]
    ▸ Als Nella naar de gesloten fluwelen gordijnen van het poppenhuis kijkt, beseft ze dat Johannes iets over het hoofd heeft gezien toen hij de maten voor de kast doorgaf.[3]
99 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[4]
  1. ↑ “De Camino” (2021), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024582280
  2. ↑ “Nieuws uit de kosmos” (2024), Fontaine Uitgevers op Wikipedia, ISBN 9789464043075
  3. ↑
    Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx
    “Het huis aan de gouden bocht” (2014), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789021809526
  4. ↑ Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
  • ma·ten

maten, g

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van mat
  • ma·ten
Naar frequentie 1048

maten, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van mat
  • ma·ten

maten, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van mat
vervoeging van
matar

maten

  1. aanvoegende wijs derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van matar
  2. gebiedende wijs (bevestigend en ontkennend) derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van matar