Naar inhoud springen

matsen

Uit WikiWoordenboek
  • mat·sen
  • herkomst onzeker, in de betekenis van ‘iemand een voordeeltje gunnen’ aangetroffen vanaf 1952 (zie vindplaats hieronder) [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
matsen
matste
gematst
zwak -t volledig

matsen

  1. inergatief het niet zo nauw te nemen met de regeltjes; de zaken gunstiger voorstellen dan ze zijn
    • Als je matst bij je meting ben je geen goede wetenschapper. 
  2. overgankelijk iemand onverdiend bevoordelen
    • Hij werd duidelijk gematst. 
     Tijdens de lange reeks van jaren, dat hij de voetbalsport als scheidsrechter heeft gediend heeft men eens getracht Kuitenbrouwer om te kopen voor vijf pinten bier. Ergens in de Achterhoek was hem de leiding opgedragen van een wedstrijd. Hij was nog maar nauwelijks binnen de hekken van het sportveld of een paar bestuursleden stevenden op de Deventer referee af. „Kun je ons vandaag niet matsen”, vroeg de een. Vijf zware glazen bier stelde men als loon in het vooruitzicht.[2]
98 %van de Nederlanders;
61 %van de Vlamingen.[3]
  1. matsen (iem. een voordeeltje gunnen) op website: Etymologiebank.nl
  2. Bronlink geraadpleegd op 15 december 2025 Weblink bron Medaillekast vol kostelijke herinneringen : Sportgesprek met Frans Kuytenbrouwer Voetballer, die later een enthousiast scheidsrechter werd in: Deventer Dagblad (22 september 1952), Maatschappij Deventer Dagblad NV, Deventer, p. 6 kol. 6
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be