rimer
Uiterlijk
- Geluid: rimer (Lyon) (hulp, bestand)
- IPA: /ʁi.me/
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| rimer |
rimais |
rimé |
| eerste groep | volledig | |
rimer
- onovergankelijk rijmen [1]
- onovergankelijk rijmen [2]
- onovergankelijk (figuurlijk) in overeenstemming zijn met; hand in hand gaan met
- overgankelijk rijmen; het maken van verzen
- [2] rimer avec quelque chosemet iets rijmen
- [3] rimer avec quelque chosegoed bij iets passen; met iets hand in hand gaan
- [3] ça ne rime à rienDat slaat nergens op.
- ri·mer
| Naar frequentie | 6290 |
|---|
rimer
- nominatief onbepaald mannelijk meervoud van rim
- ↑ rimer (Etymologie) in: Le Trésor de la Langue Française informatisé (1971-1994)
op de website cnrtl.fr
.
Categorieën:
- Woorden in het Frans
- Woorden in het Frans van lengte 5
- Woorden in het Frans met audioweergave
- Woorden in het Frans met IPA-weergave
- Achtervoegsel -er in het Frans
- Werkwoord in het Frans
- Onovergankelijk werkwoord in het Frans
- Figuurlijk in het Frans
- Overgankelijk werkwoord in het Frans
- Woorden in het Noors
- Woorden in het Noors van lengte 5
- Woorden in het Noors met audioweergave
- Woorden in het Noors met IPA-weergave
- Zelfstandignaamwoordsvorm in het Noors