Naar inhoud springen

schenen

Uit WikiWoordenboek
  • sche·nen

de schenen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord scheen
    ▸ Mijn schenen en kuiten raakten steeds zwaarder beschadigd.[1]
vervoeging van
schijnen

schenen

  1. meervoud verleden tijd van schijnen
    • Wij schenen. 
    • Jullie schenen. 
    • Zij schenen. 
    ▸ Er stapten twee agenten uit die onze kant opkwamen, hun zaklampen schenen op de reflectoren van onze fietsen.[2]
    ▸ Even schenen zij met de voorsten een paar woorden te wisselen.[3]
99 %van de Nederlanders;
97 %van de Vlamingen.[4]
  1. ↑
    Cheryl Strayed
    “Wild : over jezelf verliezen, terugvinden & 1700 kilometer hiken” (2012), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789021803555
  2. ↑
    Johan Harstad
    “Max, Mischa & het Tet-offensief” (2017), Podium (uitgeverij), ISBN 9789057598500
  3. ↑ “Kruistocht in spijkerbroek” op Wikipedia (1973), Lemniscaat (uitgeverij), ISBN 9789060691670
  4. ↑ Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be