spruitkool
Uiterlijk

- Geluid: spruitkool (hulp, bestand)
- IPA: / ˈsprœytkol / (2 lettergrepen)
- spruit·kool
- samenstelling van spruit en kool
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | spruitkool | spruitkolen |
| verkleinwoord | spruitkooltje | spruitkooltjes |
- (voeding) (groente) (bloemplanten) een variëteit Brassica oleracea convar. oleracea var. gemmifera
van een koolsoort waarvan de gekookte okselknoppen als "spruitjes" gegeten worden.
- Kool hadden ze volop gehad, witte kool en rooiekool en savoyekool en boerenkool en spruitkool.[1]
- Het woord spruitkool staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- [1] spruitkool op Wikidata

- ↑ J.F. van Druten, Kameleon, Volume 1, 1899, p. 109
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 10
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 2 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Samenstelling in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Voeding in het Nederlands
- Groente in het Nederlands
- Bloemplanten in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal