Naar inhoud springen

jouwe

Uit WikiWoordenboek
  enkelvoud meervoud
bijvoeglijk zelfstandig bijvoeglijk zelfstandig
1e persoon mijn
m'n
mijneons, onzeonze
2e persoon
(informeel)
jouw
je
jouwejullie
je
-
2e persoon
(formeel)
(regionaal)
uwuweuwuwe
3e persoon
(mannelijk)
zijn
z'n
zijnehunhunne
3e persoon
(vrouwelijk)
haar
d'r, 'r
hare
3e persoon
(onzijdig)
zijn
z'n
(ervan)
zijne
3e persoon
(genderneutraal)
hunhunne
Boven: benadrukte vorm. Onder: onbenadrukte vorm
  • jou·we

jouwe

  1. zelfstandige vorm van jouwe, tweede persoon enkelvoud informeel
    • Is dit kopje nu het mijne of is het het jouwe? 
    ▸ En verbijstering over de microzwaartekracht, over je nasale stem die niet als de jouwe klinkt.[1]
    ▸ Ik ben niet van plan om ook aan de jouwe tegemoet te komen.[2]
enkelvoud meervoud
naamwoord jouwe jouwen
verkleinwoord

de jouwe v / m, het jouwe o

  1. zelfstandig gebruikt bezittelijk voornaamwoord: een persoon die tot jou behoort
    • Voor jou en de jouwen ook een heel fijne Kerst en alle goeds voor het nieuwe jaar! 
vervoeging van
jouwen

jouwe

  1. aanvoegende wijs van jouwen
85 %van de Nederlanders;
80 %van de Vlamingen.[3]
  1. ↑
    Samantha Harvey
    “In Orbit” (2024), De Bezige Bij op Wikipedia, ISBN 9789403135625
  2. ↑
    Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx
    “Het huis aan de Herengracht” (2022), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024586332
  3. ↑ Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be